Terug

17

_____________________________________________________

Welvoeglijk bijgevoegd

 

Adjectives are the sugar of literature and adverbs the salt. (Henry James)

 

When you read proof, take out adjectives and adverbs wherever you can. (Anton Chekhov)

 

One has a few private rules: never split an adjective and its noun, for instance. (Philip Larkin)

 

 

De opening van een roman kan mét of zonder de in de citaten hierboven betwiste bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden een heel ander karakter krijgen. Charles Dickens kende de kracht van beide mogelijkheden. The Old Curiosity Shop begint hij met: ‘Night is generally my time for walking.’ Kort en krachtig; en je wilt als lezer meteen weten waarom deze persoon de nacht verkiest voor een wandeling. Zijn A Christmas Carol opent zo: ‘Marley was dead: to begin with.’ Een dode hoofdpersoon: origineel. Maar de meeste van zijn boeken openen ontieglijk bloemrijker, met een haast wellustig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Eens hij op dreef is, is hij bovendien niet meer te stoppen; de boeken die voluit beginnen, doen dat vaak met een zin die een gehele paragraaf aanhoudt. Ik moet u hier wegens plaatsgebrek zo’n woordenfestijn onthouden, maar u vindt voorbeelden in Martin Chuzzlewit, Dombey and Son, The Pickwick Papers, Nicholas Nickleby, enz.

 

First things first: waarover hebben we het nu precies? Vooreerst de bijvoeglijke naamwoorden. Ze staan voor een zelfstandig naamwoord, (voorbeelden uit Dickens’ Little Dorrit): ‘The parrot had broken into a violent fit of laughter, after twisting divers bars of his cage with his crooked bill, and licking them with his black tongue.’ Ze kunnen ook na wat een koppelwerkwoord genoemd wordt: be, look, seem, appear, become, feel (deze werkwoorden zijn alle nuances van ‘zijn’), ‘Don’t look so startled’ (opgeschrikt). De meeste bijvoeglijke naamwoorden kunnen zowel voor een zelfstandig naamwoord als na een koppelwerkwoord: the beautiful sea, the sea is beautiful. Soms verandert de vorm van deze woorden naargelang hun plaats: a live animal, the animal is alive (en niet *an alive animal, *the animal is live; a sleeping baby, the baby is asleep (en niet *an asleep baby; the baby is sleeping gaat wel, maar is dan een werkwoorstructuur). In dit verband is het misschien nuttig om op te merken dat de Nederlandstalige constructie waarbij nogal wat bepalingen voor een zelfstandig naamwoord gezet worden in het Engels niet gaat: ‘de in dit boek voorkomende citaten’ kan niet vertaald door *the in this book occurring quotations, wel door the quotations occurring in this book. Het Nederlands gebruikt deze stapelconstructies vrij frequent.

 

Na de woordjes as, how, so, too, this, that doen de bijvoeglijke naamwoorden een dansje met het lidwoord en het zelfstandig naamwoord. Zonder deze woorden staan ze netjes tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord: a beautiful voice, maar a voice as beautiful as yours. A warm day, maar how warm a day it was, a day as warm as this one, too warm a day to work, that/so warm a day we went for a swim in the pool outside. Dus kunt u Nederlandse zinnen als ‘Het was een te kleine fles’ niet vertalen met *it was a too small bottle, maar moet het It was too small a bottle zijn.

 

Bijvoeglijke naamwoorden worden ook wel gebruikt om een groep aan te duiden, voorafgegaan door the: the unemployed, the young, the rich. Handig om kort en bondig te schrijven, maar bij sommige hiervan klinkt het resultaat niet altijd even gracieus: the demented is minder stijlvol dan people with dementia. Een dokter heeft het bij voorkeur over patients with diabetes, dan wel over the diabetics, een patiënt is immers meer dan een ziekte.

 

Tenslotte nog een uitspraakprobleempje. U weet dat de bijvoeglijke naamwoorden sacred en naked eindigen op [id] in de uitspraak. Dat is ook het geval voor een aantal andere, beloved (geliefd), blessed (gezegend), crooked (krom), cursed (vervloekt), dogged (koppig), learned (geleerd), ragged (gerafeld), wicked (slecht), wretched (ellendig)  Zo ook met aged, als het tenminste als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt, in de zin van ‘heel oud’, an aged grandparent, en niet als ‘zoveel jaren oud’, a boy aged nine, of als werkwoord, ‘ouder worden’: he had aged prematurely.

 

U kunt natuurlijk besluiten al deze probleempjes uit de weg te gaan en het advies in het citaat van Tsjechov te volgen: de bijvoeglijke naamwoorden worden dan gewoon geschrapt. Ter aanmoediging, de kortste openingszin van Dickens is die in Bleak House: ‘London.’ Punt. Very bleak indeed. (HV)

 

 

Bijvoeglijke naamwoorden komen voor het zelfstandig naamwoord of na een koppelwerkwoord (be, look, seem, appear, feel, enz):

 

He gave her red roses.

Dandelions are always yellow.

 

Na as, how, so, to, this, that komt het bijvoeglijk naamwoord voor het lidwoord:

 

Because he offered it to her with so irresistible a show the dandelion at that moment was as precious a flower to her as any rose could be.

 

(1) met een asterisk worden foute woorden of woordcombinaties aangeduid