De negatieve weg

Om het lezen en schrijven van poëzie te karakteriseren, kunnen allerlei adjectieven van pas komen. Als u zelf graag poëzie leest of schrijft, heeft u er vast al een aantal klaar. In plaats van te vertrekken van één of vele positieve karakteriseringen, kan echter ook de negatieve weg bewandeld worden. Met negatief bedoel ik niet: negatieve kritiek leverend, maar wel: het omgekeerde van een welomlijnd begrip.

De negatieve weg is een begrip uit de wijsbegeerte en de godgeleerdheid dat ook in de poëzie zijn nut bewijst. De negatieve weg beschrijft immers in zekere zin ook een weg rond, met en naar de taal. Ik kwam het begrip weer eens tegen in een boek over de taalminnende mysticus Eckhart dat ik u graag wil aanraden (1). In een hoofdstuk over Eckhart en het denkspoor van de negative theologie, dat zoals alle hoofdstukken in dit boek begint met poëzie (bij dit hoofdstuk staat: ‘L’intensité est silencieuse. Son image ne l’est pas’, René Char) doet de schrijver Marcel Braekers het begrip negatieve theologie uit de doeken. Om kort te gaan: God herleiden tot rationele begrippen, of tot woorden uit het alledaagse zelfs al behoren die tot de superlatieve trap, of tot abstracte voorstellingen, doen afbreuk aan God. Met rationele begrippen of voorstellingen wordt God gereduceerd en beheerst. Zoals Braekers het verwoordt, op een Eckhartiaanse wijze: “Er moet dus iets totaal nieuws tot stand komen: wij moeten zo durven te spreken en te denken dat door onze woorden een spirituele ruimte ontstaat waarbinnen de Godheid kan verschijnen, niet vanuit ons grijpen – dus niet zoals ik het had gedacht of gehoopt – maar vanuit zichzelf.”

Voor u een mystiek punthoofd krijgt, en schrijver dezes een hoge graad van wereldvreemdheid toedicht: deze begrippen zijn geheel toepasbaar op de poëzie. Overigens is theologie het veld bij uitstek van de verbeelding: er zijn weinig werken zo verbeeldingrijk en verfijnd poëtisch hermetisch als bijvoorbeeld dat van Augustinus over de Drie-eenheid (2), of ook nog een werkelijk betoverend tractaat (3) over de H.Geest dat ik onlangs in een wel zeer paapse winkel in Rome kocht. Over dit oneigenlijk gebruik van de theologie zou ik nog een paar kantjes kunnen uitweiden, maar er wacht ons nu een andere taak: de toepassing van de negatieve theologie op de poëzie. Toegepaste negatieve theologie, het zou een vakoverschrijdende academische discipline kunnen worden, even nuttig als poëzie voor de wereld.

Laten we van wal steken en beginnen met dat wat we van plan waren: een adjectief kiezen om iets over de poëzie te zeggen. Welnu dan, ziehier mijn keuze: poëzie is geestverheffend. Dit adjectief staat in deze context voor een positieve, welbepaalde benadering van poëzie. Willen we de negatieve weg volgen, dan dienen we af te stappen van definiërende benaderingen. Laten we daarom proberen hetzelfde gegeven vanuit een andere hoek te bekijken, met name zonder iets te willen definiëren. Hier is een poging: poëzie is niet geestdodend. Dat dit zo zou zijn, lijkt op het eerste gezicht nogal evident maar dat komt dan vooral als we het woord ‘geestdodend’ in zijn dagelijks gebruikte context lezen als een omschrijving van een afstompende, eentonige, routineuze activiteit. Indien we nu de nauwe, positieve, d.w.z. zo goed als vastliggende betekenis van het woord ‘geestdodend’ lossen, reikt dit begrip uitwaaierend naar zijn tegengestelden zoals ‘geestverruimend’, het al genoemde ‘geestverheffend’, ‘geestvervoerend’, enz. en creëert het een spanningsveld. Door de aanwezigheid van het woord ‘geest’, en de nabijheid van de negatie wordt in de verbredende, negatieve weg de deur associatief denkend ook open gezet naar ‘lichaam’, en naar alle mogelijke bruggen tussen geest en lichaam. Zelfs ouderwetse woorden als ziel, blijken zich nu opeens binnen het veld van geassocieerde betekenissen te bevinden. En zo wordt het voordeel van de negatieve weg duidelijk. Het gecreëerde spanningsveld van betekenissen, dat in zijn breedte al de tegengestelden van ‘geestdodend’ bevat, en ook alle ermee geassocieerde betekenissen, is veelbetekenender dan één of meer van de tegengestelden of de ermee geassocieerde woorden zelf. Met andere woorden: we zijn rijker geworden in ons aanvoelen van de poëzie dan toen we begonnen met de ene karakterisering ‘geestesverheffend’.

Nu zou u vervolgens het lef moeten hebben om ook dit uitgebreide betekenisveld achter u te laten, en geheel nieuwe manieren van denken, spreken, lezen, schrijven, te verkennen. Na de via negativa komt immers de zogenaamde via eminentia, het nieuwe na de achterlating van datgene wat in de weg stond. Braekers citeert in dit verband Cornelis Verhoeven uit diens werk Rondom de leegte: ‘Wij kunnen ons God niet anders meer voorstellen dan als godsprobleem, als lege ruimte, waaruit de godsvoorstelling is weggevallen. God is nergens meer: hij is niet daarboven, niet daarbuiten, niet daarbinnen. Wat wij blijken te projecteren en te introjecteren is hij niet. Hij is een lege plek op de plaats, waar een historische idee hem lokaliseerde.’ Eerlijk gezegd komt deze uitspraak en deze benadering van God prima overeen met een atheïstische visie die oppert dat God niet bestaat. Dat is nu ook precies wat me zo aantrekt in deze benadering: alle mogelijke bedenkingen in verband met geloof, als zou God een product zijn van de verbeelding, een hol, dood en gefossiliseerd woord in de taal, een psychologische nood aan vader-of moederfiguur en wat nog al niet, worden in deze visie meteen in rekening gebracht. Gelovigen zitten mis met hun gebeden en geprevel, hun noemen en aanroepen. Ongelovigen met hun eigen stelligheid hebben het ook niet bij het rechte eind want hun ‘niets’ zou wel eens een ‘Niets’ kunnen zijn. Maar nu verder denkend: met deze negatieve weg om God te – benaderen is het woord niet, want benaderen benadrukt een wens om vat te verkrijgen op datgene wat benaderd wordt – ontvangen zitten we met zijn allen – gelovigen en ongelovigen – in het grote niets, het Niets, het ketterse Niemand. Ketters, want in de monotheïstische godsdiensten wordt God als een Iemand voorgesteld. Eigen aan vele mystici, is hun geheel onkerkelijke manier om over God te denken, spreken, schrijven. Welnu, de negatieve theologie mag dan al een ‘bekende’ weg zijn in de geaccepteerde theologie, wie Eckhart zelf leest (4), merkt algauw dat platgetreden, geïnstitutionaliseerde paden niet de zijne zijn.

Maar nu weer naar de poëzie. Hoe vergezocht de transpositie van het concept van de negatieve weg naar de poëzie voor sommigen ook moge lijken, het is wel degelijk een vruchtbare manier om met poëzie om te gaan, al lezend en al schrijvend. Om de vruchten te plukken, keren we nu eerst terug naar het woord ‘geestdodend’ en het spanningsveld rond ‘niet geestdodend’. Vervolgens kijken we samen in het wit van de lege ruimte die volgt: hopelijk is het een ruimte die het u mogelijk maakt om poëzie op een enigszins nieuwe manier te lezen of te schrijven.

De eigenschap dat poëzie niet geestdodend is, heeft twee richtingen: een naar de dichter en een naar de lezer toe. Ik zou het hier graag willen hebben over de eerste richting, die naar de dichter toe. Als het goed is, gaat er van de poëzie-in-wording naar de dichter tijdens het schrijven een kracht uit die zich in bovenvermeld spanningsveld aftekent. Een niet-geestdodende kracht. Op zijn smalst bekeken, betekent dit dat dichten geen routineuze karwei is. Al wat breder beschouwd, dat dichten de geest verder voert dan de oppervlakte van de dingen en het denken. Op volle kruissnelheid gekomen, hangt een en ander ervan af hoe breed de menselijke geest ervaren wordt. En die schoonheid – zo het al schoonheid is – bevindt zich in het oog van de beschouwer. Waar voor de een de menselijke geest een wonderlijk product is van wisselwerkingen in het brein, is voor de ander elke menselijke geest een uniek individueel enigma dat zich vooral in de ontmoeting met de andere / de Andere laat kennen. De menselijke geest valt dan samen met dat wat meestal door het woord ‘persoon’ aangegeven wordt.

Vaak wordt in verband met poëzie en de persoon van de dichter de omgekeerde weg bewandeld, dus niet van het schrijven naar de dichter, maar wel van de dichter naar het werk zelf. Er wordt dan in een werk op elementen gewezen die verband houden met de persoon van de dichter. Nochtans is het zo dat vanuit het spanningsveld dat we hier onderzoeken, het duidelijk moge zijn dat het schrijven van poëzie wel degelijk ook zelf een kracht uitoefent op de dichter. Een kracht die naarmate de dichter zijn geest richting volle zeebreedte stuurt, in omvang kan toenemen. Daar waar deze kracht de volle persoon treft, gaat het om ontmoetingen. Ontmoetingen met het eigen ‘ik’, zeker, maar vooral met een ‘jij’. Deze ervaringen stemmen tot nederigheid. Een ‘jij’ kan immers niet ontmoet worden als er teveel ‘ik’ in de weg staat. Een ‘ik’ dat zichzelf in de weg staat, spreekt voortdurend over zichzelf, en meldt aan de ander ‘zo ben ik’. In zijn boek ‘Ik en Jij’ noemt de Joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) mensen die vanuit deze ik-gerichtheid spreken, ‘eigenwezens’ in plaats van personen: ‘De persoon zegt: “Ik ben”, het eigenwezen zegt: ‘Zo ben ik’. ‘Ken jezelf’ betekent voor de persoon: ken jezelf als zijn, voor het eigenwezen: ken je zo-zijn. Doordat het eigenwezen zich tegen andere afzet, verwijdert het zich van het zijn.’ (5)

Buber typeert het eigenwezen als een mens die erop uit is de werkelijkheid (wat hij de ‘het-wereld’ noemt) te ervaren en te gebruiken. Hebben in de plaats van zijn. Een ‘persoon’ verhoudt zich echter niet op een dergelijk utilitaire manier tot de wereld. Dat een persoon zich in de verhouding tot de wereld en tot de anderen eerder opstelt als een ‘ik ben’ dan wel als een ‘ik ben zo’, betekent niet dat een persoon een eigen manier van zijn ontzegd wordt . Buber: ‘Daarmee wil niet gezegd zijn dat de persoon zijn bijzondere wijze van zijn, zijn anders-zijn enigszins zou moeten ‘opgeven’. Maar het anders-zijn is voor de persoon geen punt van aandacht, het bestaat slechts, het is slechts het noodzakelijk en zinvolle begrijpen van het zijn. Het eigenwezen daarentegen zwelgt in zijn bijzonder-zijn, of beter gezegd: in de fictie van zijn bijzonder-zijn, die het zich uitgedacht heeft. Want zichzelf kennen betekent voor hem eigenlijk boven alles: een zelfverschijning tot stand brengen, die zich krachtig laat gelden, en in staat is het zelf steeds grondiger te misleiden; zichzelf in de beschouwing en de verering daarvan de schijn van kennis van het eigen zo-zijn verschaffen; de waarachtige zelfkennis van het eigenwezen zou tot zelfvernietiging leiden – ofwel tot wedergeboorte. De persoon ziet zijn zelf, het eigenwezen houdt zich bezig met zijn ‘mijn’: mijn aard, mijn ras, mijn maken, mijn genie. Het eigenwezen neemt aan geen werkelijkheid deel en verwerft er ook geen. Het zet zich tegen het andere af en probeert zoveel mogelijk ervan in bezit te nemen door ervaren en gebruiken. Dat is zijn dynamiek: het zich afzetten en het in bezit nemen, beide uitgevoerd in het Het, in het onwerkelijke.’ (5)

Als de poëzie haar geestverheffende kracht kan uitoefenen, lijkt het me dat ze de dichter (en de lezer?) kan sturen in de richting van een ‘persoon’ in dialoog met de anderen, dan wel in de richting van een ‘eigenwezen’ voornamelijk in dialoog met zichzelf. Indien een dichter vooral in dialoog met zichzelf gaat, wordt de kracht die uitgaat van de poëzie op de dichter naar het doodlopende straatje van het eigen ego afgevoerd. Poëzie is zo niet meer dan een lozing van de eigen afvalproducten.

Poëzie hoort echter niet in doodlopende straatjes en is niet geestdodend: zij vraagt om vele wegen en om ontmoetingen met een ‘jij’. Als we nu terugkeren naar de negatieve weg en mystieke geschriften van Eckhart, dan wordt door het loskomen van de eigen besognes een ruimte gecreëerd waarin een ontmoeting plaats kan vinden. Niet op onze eigen voorwaarden, maar als een mogelijkheid in een nieuw gecreëerde ruimte. Misschien kunnen zowel de mystiek als de poëzie zich op zo’n bescheiden manier toch nog in de wereld laten gevoelen.

(1) Marcel Braekers. Meister Echart. Mysticus van het niet-wetende weten. Averbode, 2007.
(2) Augustinus van Hippo. Over de Drie-eenheid. Ingeleid en vertaald door T.J. van Bavel. Peeters, Leuven, 2005.
(3) Raniero Cantalamessa. Come, Creator Spriti. Meditations on the Veni Creator. The Liturgical Press, Minnesota, 2003.
(4) Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. De tractaten. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 1999.
Meister Eckhart. Over God wil ik zwijgen. Preken. Vertaald door C.O. Jellema. Historische Uitgeverij, Groningen, 2001.
(5) Martin Buber, Ik en Jij, vertaald door Marianne Storm, Bijleveld, 1998. p. 76, 77

Deze tekst komt in het volgende nummer van Dighter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *